BASKETBAL 58 — Leer en Speel

Uit, terugspelen naar het achterveld en de bal bij de ring

Drie regels met een grens: de lijn, de middenlijn en de ring. Een voet op de zijlijn is uit en uit is veroorzaakt door de laatste speler die de bal raakte. Heeft je team de bal in het voorveld, dan raakt je eigen team hem niet als eerste in het achterveld, behalve als een verdediger hem daarheen tikte. Boven de ring raak je een bal die omlaag komt niet aan: dat is goaltending en de score telt alsof hij erin ging.

Drie plekken waar je scherp kijkt

Deze les gaat over drie regels met een grens: de lijn, de middenlijn en de ring.

Speler uit en bal uit

Wanneer een speler uit is

De zijlijn en de eindlijn horen niet bij het veld. Een speler is uit zodra een deel van zijn lichaam de vloer op of buiten die lijn raakt. Hij is ook uit als hij buiten het veld iets anders raakt dan een speler. Een voet op de lijn is buiten. Een andere speler aanraken maakt je nooit uit, ook niet als die op de lijn staat.

In de lucht houd je de plek waar je het laatst de vloer raakte. Landt een speler met de bal buiten, dan zijn hij en de bal uit.

Wanneer de bal uit is en wie dat veroorzaakte

De bal is uit zodra hij een speler of iemand anders raakt die buiten staat. Hij is ook uit als hij de vloer of een voorwerp op of buiten de grenslijn raakt. Hetzelfde geldt voor de steun of de achterkant van het bord.

Uit is veroorzaakt door de laatste speler die de bal raakte of door de bal geraakt werd. Dat geldt ook als de bal daarna eerst nog de vloer of een voorwerp buiten raakt. Staat een speler op of buiten de lijn en raakt de bal hem, dan veroorzaakt die speler uit. Een wisselspeler op zijn stoel is geen speler in het veld. Raakt de bal hem, dan is uit veroorzaakt door de laatste speler in het veld.

De straf is een inworp voor de tegenstander op de plek het dichtst bij waar de bal uitging. Twijfelen de scheidsrechters wie de bal het laatst raakte, dan is het een sprongbalsituatie en wijst de pijl. Dat geldt ook als een speler tijdens een vastgehouden bal met een tegenstander buiten de lijn of zijn achterveld in stapt.

Terugspelen naar het achterveld

Balbezit in het voorveld

Een team heeft balbezit in het voorveld als een speler met beide voeten het voorveld raakt terwijl hij de bal daar vasthoudt, vangt of dribbelt. Dat geldt ook als de bal in het voorveld tussen teamgenoten gepasst wordt. De middenlijn hoort bij het achterveld. De dribbelaar is er pas met beide voeten en de bal.

Wat terugspelen is

Bij terugspelen raakt een speler van het team met balbezit in het voorveld de bal daar als laatste. Daarna raakt een speler van datzelfde team de bal als eerste terwijl hij met een deel van zijn lichaam het achterveld raakt. Dat kan ook dezelfde speler zijn. Het is ook terugspelen als de bal eerst het achterveld raakt en daarna als eerste door een speler van datzelfde team wordt geraakt. Een stuitpass tussen twee teamgenoten in het voorveld die op het achterveld stuit is dus terugspelen. De regel geldt ook voor de inworp vanaf de zijlijn in het voorveld.

De straf is een inworp voor de tegenstander in zijn voorveld, het dichtst bij de overtreding.

Wanneer het geen terugspelen is

  1. De bal komt van een verdediger. Tikt een verdediger de bal het achterveld in, dan mag de aanvaller hem daar oppakken en doordribbelen. Raken aanvaller en verdediger de bal tegelijk, dan geldt de aanvaller als laatste en is het wel terugspelen.
  2. De sprong uit het voorveld met nieuw balbezit. Een speler springt vanuit zijn voorveld en onderschept in de lucht een pass of vangt de getikte bal van de sprongbal. Landt hij met de bal in zijn achterveld, dan speelt hij niet terug. Hij moet wel zelf met de bal landen: een pass in de lucht naar een teamgenoot in het achterveld is wel terugspelen. Soms had zijn team de bal al, via een pass uit het achterveld of een inworp vanuit het voorveld. Dan is in het achterveld landen wel terugspelen.
  3. De inworp in het achterveld levert geen balbezit in het voorveld op. De bal mag naar elke teamgenoot in het achterveld.
Het hele speelveld van boven met de middenlijn, drie situaties. 1: A van rood staat met de bal in het voorveld en passt terug over de middenlijn naar B in het achterveld, met een kruis: terugspelen. 2: een verdediger van blauw tikt de bal van C van rood over de middenlijn naar het achterveld, D van rood pakt hem daar op, met een vinkje: toegestaan. 3: E van rood dribbelt met de bal over de middenlijn en is pas in het voorveld met beide voeten en de bal.

Op de tekening heeft rood bij cijfer 1 balbezit in het voorveld en geeft A een pass terug over de middenlijn. Dat is terugspelen en blauw krijgt een inworp in zijn voorveld. Bij cijfer 2 tikt een verdediger van blauw de bal naar het achterveld van rood. D pakt hem daar op en rood speelt door. Bij cijfer 3 dribbelt E over de middenlijn. Zolang niet beide voeten en de bal in het voorveld zijn mag E nog terug.

Goaltending

Een schot of vrije worp begint zodra de bal de hand van de schutter verlaat. Hij eindigt als de bal in de basket gaat of er niet meer in kan, de ring of de vloer raakt of dood wordt.

Goaltending is het aanraken van de bal tijdens een schot terwijl de bal helemaal boven het niveau van de ring is. Daarbij is de bal op weg omlaag naar de basket of heeft hij het bord al geraakt. Een blok mag zolang de bal nog omhoog gaat, zelfs op het hoogste punt. Bij een vrije worp is de regel strenger. Daar is elke aanraking tijdens de vlucht naar de basket goaltending zolang de bal de ring nog niet heeft geraakt.

Goaltending kan niet meer als de bal de ring heeft geraakt of er niet meer in kan. Wat daarna nog verboden is lees je hieronder.

De basket van opzij, drie keer naast elkaar, met een pijl bij de bal die de richting toont. Hoger dan de ring en op weg omlaag naar de basket: rood kruis, niet aanraken. In de basket, met een deel van de bal al onder de ring, en de hand van een verdediger: rood kruis, de verdediger raakt de bal niet. Teruggekaatst van het bord en onder ringhoogte, op weg naar buiten: groen vinkje, wel aanraken.

Op de tekening staat de bal op drie plekken. Boven de ring op weg omlaag is aanraken goaltending. Met een deel van de bal onder de ring is aanraken door een verdediger interference. Lager dan de ring en van het bord terug mag je de bal aanraken.

Interference

Het is interference als een speler:

De bal is in de basket zodra het kleinste deel ervan onder de ring is. Een aanvaller mag die bal aanraken, een verdediger niet.

De straf

WieDe scoreDe bal
een verdedigerhet schot telt alsof de bal erin ging, naar de plek van loslateninworp achter de eindlijn, zoals na elke score
een verdediger bij de laatste vrije worpde vrije worp teltplus een technische fout van categorie 2, lees les 11
een aanvallergeen punten, ook niet als de bal erin valtinworp voor de tegenstander ter hoogte van de vrijeworplijn

Fluitsignaal of zoemer terwijl de bal in de lucht is

Soms fluit een scheidsrechter terwijl de bal op een schot in de lucht is. Soms klinkt de zoemer voor het einde van een kwart of van de schotklok nadat de bal de hand van de schutter al had verlaten. In beide gevallen wordt de bal niet dood en telt de score als hij erin gaat. Wie de bal bij de zoemer nog in de hand heeft scoort niet. Raakt na het signaal nog een speler de bal aan, dan telt het schot niet. Maakt een verdediger daarmee goaltending of interference, dan telt het wel. Het schot telt ook niet als de bal eerst de vloer raakt en daarna in de basket gaat.

Situaties in de zaal

Wat is de juiste beslissing? Klik op een situatie voor het antwoord.

Anna (rood) dribbelt in haar voorveld langs de zijlijn. Bas (blauw) verdedigt haar en staat met een voet op de zijlijn. De bal stuit uit de dribbel van Anna tegen het been van Bas en rolt buiten het veld. Wat beslis je?

Bal uit via Bas: inworp voor rood aan de zijlijn, het dichtst bij waar de bal uitging. De bal is uit zodra hij een speler raakt die op of buiten de grenslijn staat, en die speler veroorzaakt dan uit. De tegenstander neemt in op de plek het dichtst bij waar de bal uitging.

Anna (rood) passt in haar voorveld naar Bas (rood). De bal gaat over Bas heen, stuit hoog op en raakt de knie van wisselspeler Chris (blauw), die op de wisselstoel bij de tafel zit. De bal komt terug het veld in. Wat beslis je?

Bal uit via Anna: inworp voor blauw aan de zijlijn, het dichtst bij waar de bal uitging. De bal is uit zodra hij iemand raakt die buiten het veld is, en uit is veroorzaakt door de laatste speler die de bal raakte voordat hij uitging.

Dana (rood) staat vlak bij de middenlijn met beide voeten in haar voorveld en heeft de bal in haar handen. Ze geeft een stuitpass naar Bas (rood), die ook met beide voeten in het voorveld staat. De bal stuit onderweg op het achterveld van rood en komt daarna bij Bas. Wat beslis je?

Terugspelen naar het achterveld: inworp voor blauw in hun voorveld, het dichtst bij de overtreding. Rood had balbezit in het voorveld, Dana raakte de bal daar als laatste en de bal raakte het achterveld voordat een speler van rood hem weer raakte.

Wil je meer dan alleen deze regel kennen?

Beslis bij de lijn, de middenlijn en de ring zonder te gokken. Deze regel geeft antwoord op één situatie. Met de complete cursus begrijp je hoe spelregels, spelsituaties en beslissingen samenhangen. Zo sta je met meer zekerheid op het veld, op de tribune of aan de tafel, en voorkom je onnodige discussie.

De cursus, vanaf € 14,99 per speler(prijs per speler bij aankoop van vier toegangscodes)

Bekijk de pakketten

Zestien sporten, dezelfde aanpak

Klik op een sport voor de spelregels, de techniek en de tactiek van dat spel.